Waterlandkerkje

VOORBERICHT

Eerste Deel van den Generale Prins Willempolder, waarbinnen met uitzondering van een stuk, dat tot den Nieuwe Passegeule- en den Van der Beke­polder behoort, deze gemeente geheel is gelegen, werd in 1650 ingedijkt uit schorregronden, die voorheen deel hadden uitgemaakt van de polders Vijfhonderd beoostereede, Dierkensteen, Cathalijne bezuiden (het Groote Gat), Passegeule, Vrije en Jonkvrouw (Resol. ingelanden Generale P.W. 13 Maart 1654), welke in 1621 en 1622 ter wille van ‘s landsverdediging waren doorgestoken (Rapport van Brunincx c.s., door deStaten-Generaal gecommitteerd tot het werk der verponding in Vlaanderen, aan de Staten-Generaal, 29 Nov. 1620). De grootte van deze dijkage bedroeg 2553 gemeten 171 roeden (Memorie van Jacob van der Swalme aan den Raad van State,Mei 1665). De verkaveling van haar landerijen geschiedde op 5 October 1651 (Resol. ingelanden Generale P.W. 13 Maart 1654). De eerste vruchten werden geoogst in 1652 (Memorie Van der Swalme als voren). Het bestuur voerden een dijkgraaf, vijf gezworens, en drie hoofddirecteurs (Resol. ingelanden Eerste Deel, 17 Mei 1650), welke laatsten ongeveer een maand later op het getal van vijf werden gebracht. In Maart 1654 combineerden de ingelanden van het Eerste Deel zich met die van het in 1651 ingedijkte Tweede Deel tot één waterschap, de Generale Prins Willempolder genaamd, onder het bewind van een dijkgraaf, vier gezworens en vier hoofddirecteurs (Resol. ingel. Generale P.W. 13 Maart 1654).

In vervolg van tijd onderging het Eerste Deel een belangrijke vermindering van grootte. Door liet vloeien van den Jonkvrouwpolder in 1673, die weliswaar naderhand opnieuw is bedijkt doch toen niet meer met het waterschap van den Generale Prins Willem werd vereenigd, verloor het 336 gemeten 109 roeden, welke de Jonkvrouw bij de hedijking van 1650 besloeg (Rek. Generale P.W. 1654/55). Een tweede verlies volgde tusschen 1676 en 1689. De inlage namelijk in 1676, ter grootte van 11 gemeten 131 roeden nabij den Maagdenberg gelegd, wijl de 'rijswerken' daar ter plaatse, 'dagelijks zeer vele' aan het waterschap kwamen 'te kosten' en ook de polder aan dien kant 'tegens de zee niet verzekerd' was (Resol. ingel. 4 Juni 1 676, Register der balancen over 1738-1766) was omstreeks 1689 bereids ,,buiten­gedijktland” d.i. aan de zee prijsgegeven (Rek. P.W. 1689). Beter slaagde het leggen van een inlage in den hoek van den Oude Passegeulepolder tegen den Cathalijnepolder aan, tot wier aanleg de ingelanden besloten op 20 Mei 1693 vanwege ,,d’excessive, zware onkosten tot onderhoudinge der zeewerken” op dat punt, teneinde ,,met dezelve de zwaarste werken af te snijden”. Zij bevatte een uitgestrektheid van 12 gemeten 200 roeden, welke boven water zijn gebleven en tot op den huidigen dag bekend staan onder den naam van ,,De Inlage”.

Zooals gewoonlijk gingen er eenige jaren voorbij aleer op den nieuw beverschten bodem hofsteden verrezen. Volgens de welbekende, op haar laatst in 1656 vervaardigde, kaart van Jacob Mogge bestonden in dat jaar de Konijnenberg, die van Alphonsus Henricus de Milliano, het hof Slapershaven, die van Augustinus Theodorus Sturm en de Kanonhofstede. Een opgaaf van 1676 vermeldt 16 ,,timmerages”, waarmede timmers van hofsteden bedoeld moeten wezen. Van die zestien behoorden 13 in eigendom toe aan niet-landbouwers, één te weten de Konijnenberg gezamenlijk aan Jacob Steenhart,die tot den landbouwersstand behoorde gelijk wij weten, en aan Jan de Smith, wiens beroep mij niet bekend is, evenmin als dat van de eigenaars der tweeoverige timmerages. De waarde, waarop zij destijds werden getaxeerd, bedroeg voor één 200, voor één 240, voor twee ieder 300, voor twee ieder 400, voor twee ieder 420, voor vier ieder 600, voor twee ieder 1000, voor één 1200 en voor één 1500 gulden (Lijst van de gebouwen, zoo van hofsteden als schuren en huizen, molens, 1676). Lieden van aanzienlijk vermogen zijn alzoo blijkbaar op dientijd in het Eerste Deel van Prins Willem niet woonachtig geweest. In 1665 trouwens was daar niemand gevestigd, wiens vermogen op f 2000 kon begroot worden (Kohier opgemaakt door de gecommitteerden van het Vrije met den hoofdman en wijkmeester over IJzendijker­ambacht tot het formeeren eener kapitale schatting, 24 April 1665).

Menigvuldig zijn voorheen in het Eerste Deel van Prins Willem de fortificatiën geweest. Omstreeks 1656 lagen daar langs den noordelijken dijk, die het van den Schoondijkschen polder afscheidt, van den Hoogen Dam af te beginnen de schansen Nievelt, Spek en Brood, Sint Cathalijne, Sint Philip en verder op, juist daar waar nu het dorp ligt, de redoute ,,KleinKerkje” — naar men wil waar in 1849 de school stond (Van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek, Gorinchem 1849, XII blz. 157) — voorts een tweede op het punt, waar de bovengenoemde noordelijke dijk samenkomt met dien, welke tusschen de Gouden- en Mauritspolder loopt, en nog een derde bij Turkije (Kaart van Mogge). De schansen Nievelt en Sint Cathalijne waren gebastioneerde vierhoeken; Nievelt was bovendien van een ravelijn voorzien. Sint Philippe (toen alreeds geslecht) was eveneens vierkant van grondplan en liep aan de noordzijde in twee scherpe punten uit. Spek en Brood en de drie verder op liggende forten waren gewone redouten of vierkante veldschansen zonder hij zondere versterking van bastions of ravelijnen. De Nieveltschans wordt reeds genoemd in 1607 (Acte classis Walcheren, 29 Januari 1607). Spek en Brood komt onder de benaming van ,,Saelsredout” voor op een van omstreeks 1650 datee­rende kaart van de schansen rondomOostburg (Inventaris kaarten Rijksarchief in Zeeland, no 1976), het stichtingsjaar is niet bekend, en ook niet dat van de drie andere redouten. Sint Cathalijne en Sint Philip bestonden al in 1604, toen deze streek door Prins Maurits op de Spanjaarden werd veroverd (zie mijn ,,De Verovering van hetLand van Cadzand onder het beleid van Prins Maurits in 1604”, Breskens 1904,blz. 24). Zij zijn ongetwijfeld opgeworpen door de Spanjaarden in de laatste jaren van de zestiende eeuw, toen de Zeeuwen in Westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen herhaaldelijk strooptochten kwamen doen om den vijand zooveel mogelijk schade toe te brengen. Met dat oogmerk staken zij telkens en telkens weer de Schelde over en liepen met hun platboomde schuiten de geulen en kreken in van de landen van Schoondijke, die sinds 1583 á 1585 als schorren met de zee gemeen lagen. Ter verdediging nu van de zich ten zuiden van het Groote Gat uitstrekkende streek hebben de Spanjaarden de Sint Cathalijneschans opgeworpen recht tegenover een in het Groote Gat uitmondenden tak van de Schoondijksche Molen-of Kapellekreek, en die van Sint Philip tegenover een andere geul, insgelijks met het Groote Gat in verbinding staande en bekend onder den naam van Foulionsgat, welke beide duidelijk zijn afgeteekend op een in 1618 vervaardigde kaart van de verdronken landen van Schoondijke (Inv. kaarten RijksarchiefZeeland no 1382). Sint Cathalijne en Sint Philip moesten dus dienen om die twee kreken te bestrijken en zoodoende de Zeeuwsche schuiten de landing onmogelijk te maken. Nadat zij in 1604 beide den onzen in handen waren gevallen heeft men ze ofschoon met een geheel andere bestemming laten voortbestaan. Voortaan hadden zij niet meer het land bezuiden het Groote Gat tegen aanvallen van de Hollanders te beschermen maar, tezamen met Nievelt, Spek en Brood en de drieschansen bij Waterlandkerkje en Turkije, het Land van Cadzand en Oostburg te beveiligen tegen den Spanjaard en naderhand tegen de Franschen. In oorlogstijd of zoo dikwijls het om andere redenen noodig werd geoordeeld, werden zij danook van garnizoen voorzien, Sint Cathalijne nog in November 1671 (Resol.magistraat Oostburg, 9 Nov. 1671). Sint Philip heeft den Tachtigjarigen Oorlog niet overleefd; in stukken van 1649 â 1650 is er al sprake van het ,,geslechtefort Sint Philippe” (Inv. archief Generale P. W. no 32). Nievelt, en Sint Cathalijne zijn in 1673, toen Oostburg als vesting werd opgeheven, voorslooping verkocht, en hetzelfde lot heeft naar alle gedachten vroeger of later ook Spek en Brood en de drie andere redouten getroffen. Met een van deze vierheeft dit ontwijfelbaar zeker plaats gehad. In Maart 1679 of daaromtrent is ,,zekere redoute gestaan tusschen Oostburg en IJzendijke” aan een paar particulieren voor afbraak verkocht (Verbaal Vlaanderen Rand van State, Maart1679).

Volledigheidshalve moeten wij hier nog een paar andere schansen vermelden, die vroeger insgelijks in het Eerste Deel van Prins Willem waren te vinden, ik bedoel de ,,forten” Constantinopel en Middelburg. Het eerste wordt genoemd in de rekening van den Prins Willempolder over 1720/21, waarin een uitgaafpost is opgenomen voor het ,,vereffenen en onderhouden van de wegen, strekkende van Sinte Philip tot aan Turkije met geheel Turkije en den onderberm tot onder het fort Constantinopelen”. Uit deze vermelding volgt natuurlijk niet dat dit fort in 1720 à 1721 nog in ongerepten staat van verdedigingswerk verkeerde. De naam kan hier bloot tot plaatsaanduiding hebben gediend evenals die van Sint Philip, welke schans toen ook al lang geleden was gesloopt. Waar het heeft gestaan vond ik aangewezen op een exemplaar van de kaart van Mogge, thans in het bezit van den heer Bronswijkte Oostburg, waarop een achttiende eeuwsche hand het woord ,,Constantinopelen” heeft geplaatst tegen aan den zuidelijken dijk van den Vrijepolder recht onder de Kanonhofstede. Een eindweegs verder westwaarts tegen dienzelfden dijk, tennaaste bij op het punt waar hij aansluit tegen den oostelijken dijk van den Oude Passegeulepolder of Molenweg, ongeveer tegenover de hofstede van de gebroeders Stokx, heeft diezelfde achttiendeeeuwsche hand de aanduiding ,,FortMiddelburg” neergeschreven.

Nog immer wijst de eigenaardige gesteldheid van het terrein den opmerkzamen voorbijganger de standplaats aan van de schansen Nievelt, Sint Cathelijne en Sint Philip. Geen spoor daarentegen is heden ten dage meer te zien van het voormalige dorp Sint Catharina of Sint Cathalijne. Dat het ten zuiden van het Groote Gat heeft gelegen, in het noorden ongeveer van den Cathalijnepolder (Afbeelding van het Zwin en omstreken van omtrent 1505 in hetmuseum Gruuthuse te Brugge; Kaart van het Zwin en omgeving van 1543—1554 op het Staatsarchief aldaar; kaart van Pourbus van omstreeks 1560, resp. gereproduceerd in R. Häpke, Brugge’s Entwickiung zum mittelalterlichen Weitmarkt, Berlin 1908;Gilliodts, Bruges port de mer, Bruges 1895, en Annales Société d’Emulation de Bruges, 1850), dat het in 1330 al een eigen kerk bezat (Ann. Sociétéd’Emulation de Bru­ges, 1870), en omstreeks 1560 nog in wezen was (Kaart vanPourbus als voren), zie daar het weinige, dat van het dorp Sint Cathalijne bekend is. Wanneer het van den aardbodem is verdwenen ligt in het duister.

Zoo dikwijls zij hun godsdienstoefeningen wenschten bij te wonen zullen de Hervormden, die zich in den eersten tijd na de bedijking in het Eerste Deel van den Prins Willem neerzetten, ter kerke zijn gegaan te Oostburg, IJzendijke en Schoondijke. Van 1658 af bood hun daartoe ook de in den Oudemanspolder staande Sint-Nicolaaskerk gelegenheid. Van deze in 1530 gestichte kerk bestond in 1658 slechts een schamel overblijfsel meer. Voor een deel kwam haar verval voor rekening van de Zeeuwen, die bij hun strooptochten vóór 1601 hier, gelijk overal waar zij aanlandden, het lood vande kerk goten afrukten en zoodoende het dak reddeloos overleverden aan de vernielende werking van regen en stormweer (Bericht van den bisschop van Brugge Matthias Lambrecht van 1600 in Annales pour servir à l’hist.eccléscastique de la Belgique, III p. 266 ss.). De gevolgen bleven niet uit. In 1621 verkeerde het gebouw in zoo erbarmelijken toestand, dat de priester bij het bedienen van de mis alle mogelijke voorzorgen had te nemen om te beletten dat de hostie wegwaaide door den wind, die door de gebroken vensters vrijen toegang had, de kaarsen op het altaar uitblies en door de scheuren en reten van het gewelf den regen bij plassen naar binnen zwiepte (Bericht van de Ambachtsvrouwe van Watervliet aan de Aartshertogen, De Potter en Broeckaert,Gesch. van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, XV blz. 23 vlg). Nog erger werd het toen in 1622 de onzen ter beveiliging van de grenzen den geheelen omtrek onder water zetten en alzoo den Oudemanspolder voor een reeks van jaren in een onbewoonbaren schorregrond herschiepen, waarin de kerk eenzaamen verlaten bleef staan, zonder dat er zich een sterveling om bekreunde. Wat erin 1652, bij de herdijking van den polder, nog van overeind stond was niets meer dan een ruïne, enkel de muren zonder dak (Brief van het Vrije aan deStaten-Generaal, 23 Oct. 1657). In 1656 maakten de Roomsch-Katholieken in de buurt aanstalten om het gebouw door middel van eenige herstellingen weder voor hun eeredienst bruikbaar te maken, doch nauwelijks waren de Staten-Generaal van dit voornemen verwittigd geworden of zij lieten hun door den gouverneur van Sluis opzeg doen (Resol. Staten-Generaal 27 Juli 1656, Verbaal Vlaanderen Raad van State, najaar 1656).

Hoe onaangenaam het hun ook wezen mocht het aangevangen reparatiewerk te moeten staken, in billijkheid viel er door deRoomsch-Katholieken van den Oudeman niets tegen in te brengen. Want de grenzen tusschen het grondgebied van de Republiek en dat van den Koning van Spanje waren aan dien kant nog niet definitief bepaald en zoo lang dit niet was gedaan, aldus hadden de Staten-Generaal in Mei 1651 met den Koning afgesproken, zouden beide partijen ook in het kerkelijke niets ondernemen, wat op de definitieve grensregeling vooruitliep (Brief Vrije aan de Staten-Generaal, 15 Juli 1656). Binnen een jaar tijds verviel men van de zijde der Hervormden in dezelfde fout als de tegenpartij. Den 26 Augustus 1657 begonnen zij in de buurt van den Oudeman godsdienstoefeningen te houden, eerst in een schuur, weldra in de bouwvallige kerk zelve, zonder acht te slaan op de rechtmatige protesten van de baljuw, schout en gerechtsdienaars van Watervliet (Brief Vrije aan deStaten-Generaal, 29 Aug. 1657). Gerugsteund door de Staten-Generaal die, welverre van zich aan de afspraak van Mei 1651 te houden, den Raad van State aanschreven ,,om zoodanige ordre te stellen” dat de Gereformeerde religie inden Oudemanspolder ,,rustelijk en vredelijk” geschieden zou (Resol.Staten-Generaal, 14 Sept. 1657), anders gezegd niet bemoeilijkt werd door de aldaar woonachtige Roomschgezinden, tegen wier vijandelijke houding het Vrije hun hulp had ingeroepen (Brief Vrije aan de Staten-Generaal, 29 Aug. 1657).Eerlang ging men in Den Haag nog een stap verder. In December 1657 gaven hun Hoog Mogenden op verzoek van het Vrije aan de ontvangers van de kerkelijke goederen van Oostburg en Aardenburg last om op de kerk in den Oudemanspolder een lichtdak te doen aanbrengen, opdat de predikatiën daar ook bij winterdag zouden kunnen geschieden (Brief Vrije aan de Staten-Generaal, 3 Oct. 1657, Resol.Staten-Gen. 15 Dec. 1657).

Zou echter de gemeente van den Oudeman, die in vervolg van tijd door de aanstelling van ouderlingen en diakenen tot den rang van een wettig geordende kerk was verheven (Brief Vrije aan de Staten-Generaal,20 April 1658), tot wasdom en bloei komen, dan was het niet genoegzaam, dat gelijk tot dusver de predikanten van Staats-Vlaanderen er nu en dan een predikbeurt kwamen vervullen, maar diende er een eigen herder en leeraar beroepen te worden. Om maar een van de bezwaren te noemen, welke met de nu bestaande orde van zaken gepaard gingen, hoe dikwijls gebeurde het niet dat de geloovigen, die van verre, tot uit België toe, langs schier onbegaanbare wegen ter kerke kwamen, bij hun aankomst in den Oudemanspolder vernamen, dat de dienst niet doorging omdat de predikant, wiens beurt het was, wegens ziekte of om andere redenen niet kon overkomen, zoodat zij onder schimp en spot van hun andersdenkende geburen onverrichter zake terug moesten keeren. Doch aan een beroeping viel voor den kerkeraad niet te denken voordat de Staten-Generaal op het verzoek van liet Vrije om den te beroepen leeraar een landstractement toe te leggen (Als voren) gunstig hadden beschikt. Eer het jaar een paar maanden ouder was, den 4 Juni 1658, gaven hun hoog Mogenden verlof tot het aanstellen van een predikant en voorzanger-schoolmeester op een jaarlijks van ‘s Landswege uit te betalen salaris, en in den loop van hetzelfde jaar trad de proponent Johannes Stuerbaut bij de gemeente van den Oudemanspolder in dienst(Resol. Raad van State, 1 Oct. 1658) -zooals blijkt uit een tegen hem gerichtpamflet van een tijdgenoot, die hem persoonlijk heeft gekend, een tot de Gereformeerden overgegaan Roomsch-Katholiek (Arnout van Gheluwe, Cort Vertooghenz., Antw. 1659).

Volgens een Belgisch geschiedschrijver placht Stuerbaut, wanneer hij des Zondags in den Oudemanspolder kwam preeken ,,ettelijke personen” uit IJzendijke mede te brengen ,,om te wezen zijn aanhoorders, want (zegt hij) op het Waterland woonde toen maar één Gereformeerde” (Beaucourt de Nooitvelde, Jaarboeken van den Lande van den Vrije, Brugge 1785, II blz. 263). Van hetgeen deze schrijver beweert is echter geen woord waar, immers (dat er omstreeks 1656 in de buurt van den Oudenianspolder verscheidene Gereformeerden woonden, lijdt geen twijfel, getuige een request van dien tijd, waarin niet minder dan twintig Gereformeerde bewoners van den Generalen Vrijepolder bezuiden de Passegeule zich bij het Sluissche Vrije beklaagden over de Roomsch-Katholieke geestelijkheid en overheden aldaar, die hen dwongen de heiligdagen te onderhouden en op vastendagen het eten van vleesch na te laten (Brief Vrije aan de Staten-Generaal, 9 Nov. 1656).

Tien jaar lang had Stuerbaut zijn ambt bekleed toen er op 25 November 1668 op allerwreedaardigste wijze een eind aan werd gemaakt. Welk drama zich op dien dag in dc kerk van den Oudemanspolder heeft afgespeeld, weet men. Terwijl de Gereformeerden er onder het gehoor van Stuerbaut rustig bijeenvergaderd waren, kwam er eensklaps een bende cavalleriesoldaten van het Spaansche leger binnen. Zij vraagden Stuerbaut ophoogen toon ,,door wiens last en autoriteit” hij daar predikte, sleurden hem onder het toebrengen van zeven tot acht wonden, zoo aan het hoofd als op andere plaatsen van het lichaam, van de preekstoel af, schudden hem naakt tot op het hemd uit en lieten hem voor dood liggen. Zelfs dreven de booswichten hun onmenschelijke wreedheid zoover, dat een hunner op bevel van den aanvoerder van de bende den ongelukkigen predikant, daar hij lag te wentelen in zijn bloed, het linkeroor afsneed en dit triomfantelijk ,,als een trophee” voor de toeschouwers omhoog hief. Met dat alles nog niet tevreden vielen zij de gemeenteleden op het lijf. Zij sloegen en mishandelden hen met steken en houwen tot bloedens toe, beroofden ze, zonder sexe of leeftijd te ontzien, meest allemaal, tot kinderen incluis, van hun kleeren en al wat zij bij zich hadden,en kapten tegelijk de bijbels en kerkboeken in stukken, welke zich in de kerk bevonden. Na hun buit in expresselijk daarvoor mede gebrachte zakken te hebben gestopt, trok de bende tenslotte af onder bedreiging, dat zij spoedig zouden terugkomen en, als zij dan de gemeente daar weder bijeen vonden, de kerk in brand zouden steken en alles vermoorden (Brieven van den kommandeur van IJzendijke Elias le Lion en het Vrije aan de Staten-Generaal resp. van 26 Nov. en 1 Dec.1668). Stuerbaut heeft het gebeurde maar korten tijd overleefd, den 21 Januari1669 is hij aan zijn bekomen kwetsuren bezweken, nalatende een zwangere vrouwen vier kinderen (Brief Vrije aan de Staten-Generaal, 22 Januari 1669). De Staten-Generaal hebben in het onderhoud van zijn weduwe en kroost op onbekrompen wijze voorzien. Bij besluit van 29 Januari 1669 schonken zij aan de weduwe als toeslag op het jaar van gratie een gift van f 500 en kenden haar tevens bovenhet jaarlijksch pensioen van f 50, dat zij even­als alle andere weduwen van depredikanten ten plattenlande genoot, voor levenslang nog ecu extra pensioen toevan f 300 per jaar, terwijl zij tegelijkertijd aan ieder van de kinderen, eveneens hun leven lang, een jaarlijksche uitkeering van f 50 toelegden. De ,,bebloede fragmenten van de gedilacereerde bibels en psalmboeken mitsgaders het stuk van het moorddadig geweer (d.i. degen), waarmede de predikant van hetleven is beroofd”, welke het Vrije naderhand als corpora delicti aan de Staten-Generaal heeft opgezonden (Brief Vrije aan de Staten-Generaal, 26 Febr.1669), zijn nog immer op het Museum te Middelburg voor elken belangstellende te bezichtigen.

Wijlen Dr H. A. Callenfels heeft in een van de hoogst belangrijke opstellen over de geschiedenis van het Land van Cadzand, die hij in het bekende Aardrijkskundig Woordenboek van Van der Aa schreef, de meening uitgesproken dat de kerk van den Oudemanspolder in 1669 buiten gebruik is gesteld en vervangen door een nieuwe in den Oude Passegeulepolder gebouwd daar, waar thans het dorp Waterlandkerkje ligt (Van der Aa, a.w. XII blz.157). Dit is een vergissing. Hoewel zij al in 1671 ,,ten eenenmale onbekwaamen onbruikelijk” was geworden (Verbaal Vlaanderen Raad van State, voorjaar1671) zijn de Gereformeerden er hun godsdienstoefeningen in blijven houden tot in het jaar 1672, toen de Franschen, met wie ons Vaderland destijds oorlogvoerde, haar in de asch legden (Verbaal als voren, najaar 1675). Van wederopbouw kon geen sprake meer zijn want van onze zijde werden in 1673 de dijken van den polder van den Oudeman en meer andere polders doorgestoken omdoor middel van onderwaterzetting het land ten noorden van de Passegeule zooveel te doeltreffender tegen aanslagen van den vijand te verzekeren (Brief van den landsontvanger De Jonge te Sluis aan de Staten-Generaal, 25 Maart 1711). Zoo is men er toe gekomen de Oudemansche kerk te sloopen en op dezelfde plek, waar tegenwoordig die van Waterlandkerkje staat, in 1674 een nieuwbedehuis te stichten, gedeeltelijk opgetrokken van haar afbraak en bemeubeld met de uit haar overgebrachte banken en den preekstoel, waar de bloedvlekkenvan Ds Stuerbaut’s kwetsuren nog op waren te zien, zoo men zegt (Van der Aa,a.w. XII blz. 155). Daar noch de Staat noch de tiendheffers eenig subsidie voor den bouw verstrekten is deze bekostigd uit de allerwege ingezamelde liefdegaven(Brief van De Jonge aan den Raad van State, 25 Maart 1711; Verbaal Vlaanderen Raad van State, najaar 1675 en najaar 1682). De kosten van het onderhoud der kerk werden eerst eenige jaren lang gevonden uit de opbrengst van een in het onder haar hoorende gedeelte van Ijzendijker ambacht geheven accijns op bier, brandewijn en wijn (Verbaal Vlaanderen Raad van State najaar 1682; Resol. Raad van State, 21 Juni 1683), van omstreeks 1700 af uit een door den Raad van State jaarlijks uitgekeerde bijdrage van f 50. (Brief van De Jonge als voren, 25Maart 1711).

Van de voormalige Sint Nicolaaskerk in denOude­manspolder stond omstreeks 1740 maar alleen ,,een groote boog met annexepilaren” meer overeind. (Brief van de kerkmeesters en den koster van Waterlandkerkje aan het Vrije, 6 Mei 1713 in Archief Vrije no 389). Toen waren hun dagen echter geteld want verscheidene in de buurt woonachtige personen begonnen er in den loop van het volgend jaar hij nacht de steenen van daan te halen ,,tot employ van solementen (?) en het metselen van steenputten” (Resol. Vrije 30 Dec.1741, 10 en 24 Maart en 28 April 1742). In 1742 werd de bouwval, van welke destijds ,,omtrent nog een twintig of dertig wagens met steen” aanwezig waren,,,ten eenenmale ja zelfs in en uit den grond tot de fondamenten toe geraseerden weggehaald”, zoo schreven de kerkmeesters en de koster van Waterlandkerkje in Mei 1743 aan het Vrije (Brief als voren, 6 Mei 1743). Nochtans moet er op het laatst van de jaren 1700 nog een stuk muur van te zien zijn geweest (Vander Aa, a.w. XII blz. 155). Het kerkhof is in 1794 aan het Fransche en na 1814 aan het Nederlandsche domein geraakt, en in 1818 met eenige andere domeingronden door het Rijk verkocht (Van der Aa t.a.p.). De kerk heeft gestaan een eindweegs voorbij Stroopuit ter plaatse waar zich tegenwoordig het hofsteedje bevindt van de erven Savat. Jaren geleden zag schrijver dezes in den boomgaard aldaar ettelijke grafzerken en brokken van grafsteenen liggen, van welke een tweetal tamelijk gaaf geblevene door de kerkvoogdij van Waterlandkerkje zijn aangekocht en bij de restauratie van 1913 in het portaal van haar kerk zijn ingemetseld.

De nieuwe kerk in den Ouden Passegeulepolder,waarin op 16 September 1674 de eerste predikatie is gedaan (Resol. Vrije 18Sept. 1674) heeft in vervolg van tijd het aanzijn geschonken aan het dorp Waterlandkerkje, op Hoofdplaat na het jongste van geheel Westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen. In 1708 telde het op zijn minst zeven huizen, die van den predikant en schoolmeester, dat van een wagenmaker, een herberg en nog een paar andere. Alle zeven zijn tezamen met de kerk het slachtoffer geworden vanden inval der Franschen, die na op den 29 Juli van dat jaar de Passegeule te zijn overgetrokken onder IJzendijke, Schoondijke, Waterlandkerkje en Oostburg met plunderen en brandstichten een ramp over de bevolking hebben gebracht zooals het Land van Cadzand slechts zelden is overkomen. Zij sleepten uit het Eerste Deel van den Prins Willmpolder een buit weg van niet minder dan 73 paarden, 6 veulens, 45 koeien en runders, 18 kalveren, 6 lammeren, 29 varkens— alte­gader een waarde vertegenwoordigend van ruim f 14262, zij roofden aanhuisraad, kleeren, landbouwgereedschappen en andere goederen een waarde van ruim f 11321, brachten door het in brand steken van schuren aan de daarin opgeborgen gerst, koolzaad, vlas en hooi alsmede aan de te velde staande gewassen door het kampeeren van troepen op de graanakkers een schade toe van f 828 enrichtten bovendien nog een schade aan van ruim f 8169 door het in de aschleggen van de timmers van twee hofsteden en andere gebouwen (Brief Vrije aan de Staten­Generaal, 5 Sept. 1708).

Vermits van de kerk enkel de muren en de consistoriekamer waren blijven staan (Als voren) moest de gemeente zich nu behelpen met een schuur, zoo klein en zoo ongeschikt voor haar godsdienstige samenkomsten, dat zij van stonde aan met ongeduld uitzag naar het oogenblik, dat men de hand zou slaan aan den wederopbouw van haar bedehuis (Resol. Vrije 3 Juni 1710; Verbaal Vlaanderen van de gedeputeerden der Staten-Generaal voor de magistraatsveranderingen, 1711). Aangezien zij geen andere vaste inkomsten bezat dan de vijftig gulden, haar jaarlijks door den Raad van State voor de behoeften van de eeredienst en het onderhoud van de kerk toegelegd (Briefontvanger De Jonge te Sluis aan den Raad van State, 25 Maart 1711), en dus te arm was om zelf het herstellingswerk te bekostigen, kon dit alleen tot standkomen indien men het van ‘s Lands wege voor zijn rekening nam. De kerkeraad en kerkmeesters werden dan ook niet moede de medewerking van het Vrije te verzoeken om van de Hooge Regeering in Den Haag een beschikking in deze zin te erlangen (Resol. Vrije 19 Febr. en 28 Mei 1709, 3 Juni en 27 Sept. 1710), dochzijn er in weerwil van den ijver, met welke het Vrije hun belangen zoowel bijden Raad van State als bij de Staten-Generaal bepleitte (Brieven Vrije aan denRaad van State, 23 Maart 1709 en aan de Staten-Generaal, 5 Mei 1711), niet ingeslaagd van ‘s Lands wege eenige geldelijke ondersteuning voor de kerkherstelling te verwerven.

Dientengevolge heeft men, evenals in 1674 was geschied, de benoodigde geldsom wederom door liefdegiften moeten bijeenbrengen. Den 9 Juli 1712 besloot het Vrije op verzoek van de gemeente enden kerkeraad aan hen ,,brieven van voorschrjvinge en geloof” te verleenen omme een collecte te mogen doen in Zeeland en te dezen lande (Westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen) voor den opbouw van hun kerk (Resol. Vrije, 9 Juli 1712).Den 4 Maart 1713 stelde het College den geloofsbrief op ,,aan de respectieve magistraten, classes en kerkeraden” (Resol. Vrije, 4 Maart 1713), waarmede de kerkmeester Joris van Meten, de ouderling Pieter Gruson en Marinus Godijn, die als collectanten waren aangewezen (Resol. Vrije, 9 en 16 Juli 1712), hun collectereis aanvingen. Den 29 April 1713 kwam Van Meten in de vergadering van het Vrije mededeelen, ,,dat zij nu zoo verre” met de inzameling ,,warengeavanceerd, dat reeds zoo ontvangen als ingeteekend was over de 340 pond Vlaamsch (f 2040)” (Resol. Vrije, 29 Maart 1713), waaronder een gift van het Vrije zelf ten bedrage van f 150 (Resol. Vrije, 4 Maart 1713).

Voor zooveel ik kon nagaan, want een lijst van al de geschonken bijdragen is mij evenmin onder de oogen gekomen als een rekening en verantwoording van ontvang en uitgaaf voor de restauratie van de kerk, zijn daar naderhand nog bij gekomen een gift van f 200 van den Generalen Prins Willempolder (Resol. ingelanden, 13 Juni 1713) en een van denzelfden polder, groot f 50, voor het bouwen van een regenbak bij de kerk (Resol.ingelanden 16 Juni 1713) ; een van f 50 van den Isabellapolder (Resol. Vrije,17 Juni 1713); een van den Oranjepolder onder IJzendijke van één stuiver per gemet (dit over de ruim 1706 gemeten, welke deze polder groot is, ruim f 85 of gecombineerd met het Manteaupoldertje, groot 11 gemeten, en den Dierentijdpolder, groot ruim 29 gemeten) ruim f 87 (Resol. Vrije, 20 Juni1713); een van de parochie Cadzand, d.i. de tegenwoordige gemeenten Cadzand, Retranchement en Zuidzande, van f 72 (Resol. Vrije 14 Oct. 1713); een van de Watering Cadzand van f 120 (Resol. ingelanden, 25 Mei 1714); een van Ds Abdias Haltinga te Sluijs van f 200, toegezegd naar het schijnt onder beding dat hij de eerste predikatie in de herstelde kerk zou mogen houden (Resol. Vrije, 30Mei, 2 en 5 Dec. 1713). Ook zouden de Friesche turfschippers, die toentertijd nog door de Ligne tot tegen het dorp konden varen, mede aanzienlijke gifthebben geschonken (Van der Aa, Aardrijksk. Woordenboek, XII blz. 158).

Nadat het Vrije op het laatst van April 1713 aan den timmerman Abraham van Meten en zekeren Pieter Horlewijn het opmaken van een bestek en een begrooting van kosten had opgedragen, en een week later ,,het bestek en de begrootinge benevens de afteekeninge van de kerkegeexamineerd” had, gelijk die door Horlewijn waren opgesteld (Resol. Vrije, 29April en 9 Mei 1713), volgde op 22 Mei de openbare aanbesteding. Het werk werd gegund aan Abraham van Meten voor f 3252. De nieuwe kerk is opgetrokken op de nog overeind staande muren van de vorige. Men behoeft om zich hiervan te overtuigen slechts de voorwaarden van het bestek na te lezen. De aannemer, zoo staat daar, moet ,,de oude muur van boven afbreken 3 â 4 lagen of zoo verre dezelve door verbranden en inregenen zijn los geraakt en wederom opbouwen ter hoogte van 14 voeten, gemeten uit den grond of laatste insnijdinge boven ‘t fondament”; ook zullen ,,alle de muren van buiten zoowel de drommers, muren der kerk, consistorie en portaal wel volgeraapt moeten worden met bastaard­tras nadat de losse groeven, die uitgegeten ben van de lucht, wel uitgezuiverd zullen zijn; de muren van binnen moeten de losse kalk of pleisteringe worden afgekapt en dan wederom glad pleisteren; in het optrekken der muren zal den aannemer moeten letten enz. enz.”

Naar sommigen meenen zou de, in 1674 uit de voormalige Oudemansche kerk overgebrachte, preekstoel bij den brand van 1708 aan de vernieling zijn ontkomen, ja zoo ongeschonden zijn gebleven dat, vóór hij omstreeks 1820 à 1830 werd overschilderd, de bloedvlekken van Stuerbaut’skwetsuren er nog steeds aan waren te zien, gelijk oude lieden hun hadden verzekerd (Van der Aa, a.w., XII blz. 158). Wat hebben wij van deze bewering tedenken? In de eerste plaats staat het geenszins volkomen vast, dat de preekstoel, welke op 29 Juli 1708 in de kerk stond, dezelfde was als die van Ds Stuerbaut. Bij resolutie toch van 24 April 1708 verleende het Vrije aan de kerkmeesters op hun aanvraag vergunning om onder anderen ,,een nieuwen predikstoelte laten maken”, en den 19 Mei daaraan volgende bovendien verlof om, in geval het kerkmeestersfonds voor het een en ander ontoereikende mocht blijken, er een bedrag van ten hoogste f 50 uit de diaconiegelden voor te bestemmen. Natuurlijk ligt hierin nog niet opgesloten dat deze ,,nieuwe” preekstoel metterdaad reeds vóór 29 Juli 1709 (den dag van den brand) dien van Stuerbaut heeft vervangen. Tusschen 24 April en 29 Juli lagen slechts drie maanden, mogelijk is men indien tusschentijd met het maken van den nieuwen kansel niet gereed gekomen. Doch aangenomen voor een oogenblik, dat dit laatste werkelijk het geval is geweest en dus de preekstoel van Stuerbaut op den noodiottigen dag nog immerop zijn oude plaats stond, hoe is het mogelijk, moet men vragen, hoe is het mogelijk dat, wanneer bij een brand in een kerkgebouw het gansche dak, zooals hier het geval is geweest, in de vlammen opgaat, de preekstoel of welk anderstuk ook van het meubilair door het vuur wordt gespaard? Wij behoeven ons echter met geen vragen tevreden te stellen. De aanbestedingsvoorwaarden van 22 Mei 1713 zeggen met zooveel woorden: ,,in deze kerk moet gemaakt worden een zeskante predikstoel van wagenschot” en dan volgen verscheidene zoo uitvoerige voorschriften betreffende het materiaal, dat de aannemer te gebruiken had voor het ,,pedestal”, den blok, de plint, den bodem en het verhemelte” (klankbord), betreffende de afmetingen, de versiering en wat dies meer zij, dat er geen twijfel kan bestaan of men heeft in het weder opgebouwde bedehuis een spiksplinternieuwen preekstoel gezet tegelijk, zooals eveneens uit de aanbestedingsvoorwaarden blijkt, met een stel nieuwe ,,bochten” (banken) en een nieuwen ,,tuin” (doophek).

Den 27 November 1713 werd de kerk opgenomen, en op den eersten Kerstdag van hetzelfde jaar hield Ds Abdias Hattinga van Sluiser de eerste predikatie in (Resol. Vrije 25 Nov., 2 en 5 Dec. 1713). Uit. deverte beschouwd bracht het nette gebouwtje niet zijn dak van blauwe pannen, zijn midden op het dak geplaatst kloktorentje, zijn in de gedaante van een,,zeepaard” (zeemeermin) van verguld koper vervaardigden windwijzer (Aanbestedingsvoorwaarden, 22 Mei 1713, Archief Vrije no 389) in de ietwat eentoonige vlakte van het omringende polderland een afwisseling aan, waar de oogen met welgevallen op rustten. Van naderbij beschouwd was de kerk de eenvoudigheidzelve. Het eenige sieraad, dat haar tooide, bestond in eenige geschilderde glazen. Het College van het Vrije schonk er een, de afbeelding van zijn wapen bevattende (Resol. Vrije, 17 Juni en 2 Sept. 1713), dat f 91.95 heeft gekost(Rekening Vrije over 1716 folio 45). Ter gedachtenis aan de Friesche turfschippers, van wie de kerkmeesters zooals hiervoor reeds werd aangestipt, een aanzienlijke gift voor den wederopbouw hadden ontvangen, was op een van de ramen het delven, trappen, steken en drogen, kortom het gansche bedrijf van het maken van turf voorgesteld (Van der Aa, t.a.p.). Dit raam moet volgens een schrijver, die klaarblijkelijk het zelf nog heeft gezien of voor het minst personen gekend heeft, die het nog gezien hadden, nagenoeg nog ongeschondenzijn geweest, toen de ramen ,,voor ettelijke jaren” (zoo schreef hij omstreeks 1848 A 1850) voor andere plaats maakten (Van der Aa ta.p.). De merkwaardige glasruitjes zullen helaas, evenals indertijd ook elders in de streek onzer inwoning gebeurd is, op den vuilnishoop zijn geworpen zonder dat men ook maar de geringste poging deed om ze voor te niet gaan te bewaren! Daarenboven moeten voorheen op de kerkvensters tevens de namen en wapens hebben geprijkt van de voornaamste gevers van bijdragen voor de restauratie van 1713 (Van der Aa,t.a.p.). Van al dat schoons is heden ten dage geen schijn noch schaduw meer aanwezig.

Naderhand zijn aan kerk en toren verscheidene verbeteringen aangebracht. Zoo werden in 1721 ongeveer, om maar enkele van de belangrijkste te vermelden, een lichtkroon met blakers ten behoeve van de avonddiensten gekocht (Resol. Vrije, 13 Juli 1720 en 22 Maart 1722), in 1760 het maken van een nieuw torentje aanbesteed (Resol. Vrije, 26 Juli 1760), in1815 door Koning Willem 1 een subsidie toegestaan van f 1200 tot herstel van de vervallen kerk, pastorie en school (J. Was, Oorsprong en lotgevallen van het dorp Waterlandkerkje in Zeeuwsche Volksalmanak 1846, blz. 62) en in 1821 een van f 400 (De Kanter en Dresselhuis, De provincie Zeeland, Midd. 1824, blz.300), in 1847 de toren, die dit tot nog toe had gemist (Was, a.w. blz. 64), vaneen uur- en slagwerk voorzien (Van der Aa, a.w. blz. 159), en is in den loop der tijden de zeemeermin door een haan als windwijzer vervangen geworden.

Van bijzonder ingrijpenden aard was de restauratie, welke de kerk in 1913 bij het tweede eeuwgetijde van haar bestaan onderging. Evenals in 1713 was gebeurd zoo heeft voor die van 1913 insgeljks menig milddadig gever zijn gave geofferd. De kerkvoogdijen van Aardenburg en Schoondijke gingen voor, ieder met een gift van honderd gulden, zelfs kwam er een gelijke bijdrage in van de Nederlandsch Hervormde kerk te Sint Petersburg.In hoofdzaak bepaalde zich de restauratie tot het vervangen van de zoldering door een gestucadeerd plafond, het verwijderen van de witte verflaag, waarmede de wansmaak van vroeger tijd den preekstoel besmeerd had, zoodat het fraaie eikenhout van dezen weder in de volle schoonheid van zijn natuurlijke kleur zichtbaar werd, het herstellen van het dak, dat nu weder als van ouds geheel met blauwe pannen werd gedekt -de leien, welke te voren op den zuidkant hadden gelegen, hadden in 1912 al reeds voor zulke pannen plaats gemaakt, - en het bouwen van een ruimere consistoriekamer. Tegelijkertijd heeft men, zooals boven reeds werd gezegd, bij deze gelegenheid een paar oude grafzerken, uit de Oudemansche kerk afkomstig, naar de kerk overgebracht. Op de eene staan gebeeldhouwd een mansfiguur en in elken hoek een doodshoofd; het randschriftluidt: ,,Sepulture van Adriaen Michiels, die overleet den Vier dach van December a° XVC LIX bidt over de ziele.” Op de andere, waarin een mans- en een vrouwenfiguur en onderaan die van drie zoons en een dochter zijn gegraveerd, leest men in den rand dit opschrift:

,,Sepulture van Jan Brucgheman fs Jans die overleet den ----------- ende van Marijcke Galeus fa Jooris d’huijsvr. van den voornomde Jan overleet den XIIII Maerte 1617”.

            Gedurende de Fransche overheersching heeft het voortbestaan van het kerkgebouw aan een zijden draadgehangen. Eén enkel vonkje vuur, sinds de maand Augustus van 1809 bij ongeluk binnen haar wanden terechtgekomen, ware toen genoegzaam geweest om het in een oogwenk in een puinhoop te herscheppen. In genoemde maand, moet men weten, tijdens de expeditie van de Engelschen naar Zeeland en Antwerpen, moest het op order van den toenmaligen kommandant van het Land van Cadzand, generaal Rosseau, aan de militairen worden ingeruimd voor kruitmagazijn (Was, a.w. blz.62) en stond het derhalve bloot aan hetzelfde gevaar, dat de kerk van Breskens bedreigde, welke omstreeks Juli 1808 door de militaire autoriteiten eveneens voor kruitmagazijn in beslag was genomen (Acta Consistoriale kerk van Sluis,27 Juli 1808). De gemeente vond zich derhalve genoodzaakt de godsdienstoefeningen in het schoolgebouw te houden (Was, t.a.p.). hoe lang zij zich het gemis van haar bedehuis heeft moeten getroosten vindt men nergens vermeld. Uit de acta van de Consistoriale kerk van IJzendijke van 3 Juli 1811 blijkt echter, dat dit toen nog immer het geval was. Wij lezen daar van een ingebrachte klacht ,,dat de kamer in het schoolhuis van Waterlandkerkje alwaar den openbaren godsdienst, uithoofde dat de kerk voor kruitmagazijn strekte, werd gedaan, opgesierd was met een aantal vogels en kooien(!), die zoowel den spreker als hoorder hinderden, en huissieraden(!) als potten, pannen, etceteraetcetera, die vaak de aandacht der hoorders van den spreker afwendden, zoodat dezelve kamer in dien staat zeer ongeschikt was (om) aldaar den openbaren godsdienst uit te oefenen”.

            Bijkans een eeuw heeft het geduurd eer de Hervormden van Waterlandkerkje in het bezit kwamen van een huis, dat telkens als een predikant stierf of vertrok door zijn opvolger werd betrokken, van een pastorie met andere woorden. Johannes Beverland, de eerste die de predikatiën heeft gehouden in de ten jare 1674 gestichte kerk op het dorp zelf, was toen hij in dat jaar zijn ambt aanvaardde verplicht zijn intrek te nemen in een kamer ten huize van den schoolmeester en woonde daar in 1680 nog altoos, omdat er op het dorp ,,geen bekwame gelegenheid” was te vinden (Request van den kerkeraad aan het Vrije van 1680 in Archief Vrije no 389). Jacobus van Amerongen, die er van 1705 tot 1717 heeft gestaan, woonde in een huis van de diaconie (Brief Vrije aan de Staten-Generaal, 5 Sept. 1708) en moest, toen dit den 29 Juli 1708 door de Franschen in de asch was gelegd, zich metterwoon “binnen IJzendijke retireeren” (Ongedateerd request aan het Vrije van Ds Johannes van der Meyer in als voren), waar blijkbaar zijn opvolger Johannes van der Meijer vooreerst eveneens zijn verblijf heeft gehouden. Teneinde aan zulk een, voor leeraar en gemeente beiden ongeschikten, toestand een einde te maken, stelde Van der Meijer aan het Vrije voor hem toe te staan in plaats van het afgebrande huis op zijn kosten een andere woning voor den predikant te zetten, onder voorwaarde dat hij voor den bouw f 1200 à f 1300 zou besteden, dat hij de ,,steenen van den puinhoop” van het afgebrande huis daarvoor mocht gebruiken en dat, bij zijn eventueel vertrek naar elders of als hij kwam te sterven, zijn opvolger gehouden zou wezen dit huis voor f 1200 in koop te nemen of, zoo hij dit liever verkoos, het te huren tegen den prijs van f 100 ‘s jaars (Ongedateerd request van Van der Meijer als voren).

Het aanbod moet echter niet aanvaard zijn geworden, want in 1751 verklaarde de landsontvanger Daniel Sappius te Sluis, iemand die door den aard van zijn bediening van den stand van zaken volkomen op de hoogte was, dat te Waterlandkerkje door de gemeente nimmer aan den predikant of schoolmeester een vrije woning was bezorgd geworden, ,,maar altoos gepractiseerd bij overlijden van predikant of schoolmeester of bij vertrek derzelver, dat de woningen, bij de overleden of vertrokken predikanten of schoolmeesters bewoond geweest, tot de komste van anderen, die hun plaatsen zouden vervullen, zijn ledig en open gehouden opdat dezelve hun daarvan hij koope of hure zouden kunnen voorzien” (Brief  Sappius aan den Raad van State, 29 Juli 1768). In 1768 gelukte het den kerkeraad den eigendom te verkrijgen van het huis, destijds bewoond door den predikant Jacobus Sluijter. Den 14 Juli van genoemd jaar verkocht deze aan de diaconie, zooals de acte van verkoop het omschrijft, een huis en erf op 65 roeden cijnsgrond, aan 4 grooten (f 0.10) per roede ‘s jaars, staande ,,dicht bij de kerke” en thans door hem, Sluijter, bewoond, ,,teneinde tzelve” overeenkomstigde resolutie van liet Vrije als opperkerkmeesters van 1 Juli l.l. ,,te employeeren tot een pastorie ofte huis voor den predikant nu zijnde of hierna, bij aflijvigheid, verzoek van adjunct (hulp­prediker) of emeritaat van den althans zijnden predikant (Sluijter zelf), beroepen wordende, daarin vrijewoninge te doen genieten”, op voorwaarde dat de diaconie als koopschat zou betalen de som van f 1200, dat Sluijter van nu af aan in het huis zou blijven wonen zonder betaling van huur maar ,,een adjunct verzoekende of emeritus wordende” verplicht zou wezen het alsdan aan zijn opvolger over te geven, alsmede dat, ingeval hij, Sluijter, kwam te sterven, zijn weduwe het, insgelijks zonder betaling van huur, gedurende het jaar van gratie zou mogen blijven bewonen (Acte verleden voor den notaris Anthonius van Deinse te Sluis, 14 Juli1768). Dit huis, waarvan op 13 Augustus 1768 de eigendomsoverdracht plaats had (Register van transporten van het Vrije), heeft voor pastorie gediend tot dat het in 1910 afgebroken werd en uit het fonds van de Generale Kas de tegenwoordige pastorie is gebouwd.

Dat de diaconie zich de uitgaaf voor het aankoopen van een pastorie kon veroorloven, had zij te danken aan een legaat, haar in 1763 vermaakt door zekeren Jacob Claeijs. Claeijs was geboren te Lovendeghem bij Gent, wanneer is onbekend, en is van daar vermoedelijk reeds op jeugdigen leeftijd naar Westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen verhuisd, tezamen met zijn ouders of wel op eigen gelegenheid, mogelijk om hier, gelijk oudtijds door zoovele Belgische Vlamingen geschiedde, met veldarbeid in het voorjaar of in den oogsttijd den kost te winnen. Gedurende zijn verblijf hier te lande deed hij bij de Hervormde gemeente te Waterlandkerkje zijn belijdenis. Naderhand het zeegat uitgegaan bracht hij het zóóver, dat hij in 1750 als kapitein of schipper, gelijk men toen zeide, in dienst werd genomen door de Oost-Indische Compagnie. In April van dat jaar zeilde hij als gezagvoerder van den Compagniesbodem De Admiraal Tromp uit Goeree naar Batavia, waar hij ongeveer zes maanden later, in October 1750, aanlandde. Na op dat zelfde schip in het tijdvak 1750—1757 ettelijke reizen te hebben gedaan van Batavia naar Oost-Java, de Kaap de Goede Hoop, Perzië, Bengalen en Korowandel, keerde hij in October 1757 als bevelhebber van het Compagnieschip Blydorp naar het Vaderland terug en kwam daar aan op de reede van Goeree omstreeks half Juni 1758. Na een maand of tien van de vermoeienissen van het zeemansleven te hebben uitgerust aanvaardde hij opnieuw een reis naar de Oost als kapitein van het Compagnieschip Blijdorp, dat den 8 April 1759 van Goeree uitliep en den 19 October daaraanvolgende te Batavia aanlandde. Ook nu weer zwalkte hij eerst op de Blijdorp en van Augustus 1760 af op het schip Marienbosch herhaaldelijk in de Indische wateren rond, naar West-Java, naar Koromandel, naar Perzië en eindelijk, op 14 December 1761 naar Ceylon. Op deze laatste reis overviel hem, gelijk de Hooge Regeering te Batavia in Mei 1762 aan de Bewindhebberen der Compagnie berichtte, toen hij zich op de hoogte van Colombo in Ceylon bevond,op 27 Maart 1762 een storm zóó ijselijk als men aldaar in dit jaargetijde bij menschenheugenis nog nooit had beleefd. De Marienbosch geraakte door het geweld van wind en golven op een zandbank aan den gronden ging reddeloos verloren. Gelukkig bracht Claeijs zelf er het leven af.

Naderhand, in Maart en September 1763 heeft hij nog als gezagvoerder op een paar andere bodems gediend. Maar hij had toen zijn besten tijd achter den rug. Gouverneur-Generaal en Raden verwachtten van zulk een ,,bijna afgeleefd zeeman”, gelijk zij hem noemden, niet veel nut meer en gaven hem daarom op 13 September 1763 eervol ontslag uit Compagniesdienst met verlof om naar Nederland terug te keeren. Het heeft hem echter niet mogen gebeuren de kusten van het lieve Vaderland weer te zien, kort daarna werd hij door een ziekte aangetast, die hem in den nacht van 19 op 20 December 1763 te Batavia uit het leven wegrukte. Dat hij, ook na zoo lang onder de keerkringen te hebben vertoefd, met een gevoel van genegenheid Westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen en zijn vrienden daar te lande gedachtig was gebleven bewijst de uiterste wil, dien hij op den 23 October 1763 voor den notaris Andries Jan Zallé opmaakte, ,,zwak van lichaam echter met volkomen verstand en onverwarde uitsprake.” Hij legateerde daarbij aan de Nederduitsche Gereformeerde Armen van Groede f 1000, aan Michiel Faro en Sara Faro, beiden wonende te Groede, en waarschijnlijk kameraden uit zijn jeugd, want zij waren te Waterlandkerkje als kinderen van Jacobus Faro, smid aldaar, en Clara Poppe opgekweekt, ieder f 1000, aan de weduwe van Adriaan Louwers, in leven hoofdman (zooveel als burgemeester) van Schoondijke, thans wonende te Vlissingen, insgeljks f 1000, verder aan verschillende personen te Rotterdam, Amsterdam, Batavia en aan de Gereformeerde diaconie van Batavia te zamen een bedrag van f2000 en 550 rijksdaalders. Van hetgeen er van zijn nalatenschap, na aftrek van de legaten, zou overschieten, benoemde hij tot universeele erfgenamen: le zijn neven van vaders zijde Jacob en Jodocus Claeijs te Landeghem bij Gent of bij hun vóóroverlijden hun wettige nakomelingen voor een derde part; 2e de vier kinderen van zijn moei van moederszijde, wier namen hem onbekend waren, of bij hun vóóroverlijden hun wettige nakomelingen, insgelijks voor een derde; en 3e voor het overige derde gedeelte ,,de Gereformeerde diaconie Armen van het dorp Waterland(kerkje)”, alwaar hij verklaarde ,,de belijdenisse der Gereformeerdereligie gedaan te hebben.” Bij de eenigen tijd na zijn afsterven gedane boedelbeschrijving van zijn nagelaten goederen werden te zijnen sterfhuize aangetroffen 81 rijksdaalders en 7½ stuiver aan gereed geld benevens een aantal juweelen van goud- en zilverwerk, en een ruime voorraad van kleeren en linnengoed.

De 1030 rijksdaalders, op 4 Januari 1764 door den verkoop van deze en diverse andere goederen opgebracht, vormden slechts een luttel bedrag van het gansche vermogen, door Claeijs nagelaten. Alles bij elkander genomen vertegenwoordigde zijn nalatenschap boven en behalve de bijna f 18000 door hem aan legaten besproken, een kapitaal van ruim 77730 gulden, zoodat aan de diaconie van Waterlandkerkje als erfgename voor een derde part een som ten deel viel van ruim f 25910 (Ongedagteekende memorie van den ontvangen de directie, door P. Hennequin en V. F. Boogaert qualitate qua aan het Vrije overgegeven in Archief Vrije no 389). Ongelukkigerwjjze is van dit kapitaal, dat meest in effecten en obligatien was belegd en onder het beheer van het Vrije als opperarmmeesters gesteld was, de helft bij het bombardement van Sluis in 1794 door brand vernield of zoek geraakt (Van der Aa, a.w. XII blz.158; Was, Oorsprong enz. van Waterlandkerkje in den Zeeuwschen Volksalmanak van 1846, blz. 61, 62). Toen het Belgische gouvernement na het uitbreken van den opstand in 1830 de uitbetaling der rente staakte van het kapitaal van f 12700, dat op het Grootboek der Werkelijke Schuld te Brussel stond ingeschreven, nam de Nederlandsche regeering deze voor haar rekening en bleef ze uitkeeren, totdat bij den vrede van 1839 België den over de verloopen jaren vervalleninterest aan Nederland teruggaf (Was, a.w. blz. 68).

De grenzen van de kerkelijke gemeente zijn in 1675 door het College van den Vrije aldus bepaald,dat ,,onder het opzicht van de kerke van Waterland zouden gehooren de Passegeulepolder, de hofsteden in den Catalinenpolder, de Elmare, het Vrijepolderken en de Goudenpolder” (Resol. Vrije, 8 Juni 1675). Heden ten dage behooren er ook toe een stuk van den Nieuwen Passegeulepolder en dat gedeelte van het Eiland, hetwelk burgerlijk onder IJzendijke ressorteert (Van der Aa,a.w. XII blz. 157). De Cathalijnepolder daarentegen maakt thans deel uit van het gebied der Ned. Herv. gemeente van Oostburg.

Van het bezit van een molen op het dorp zijn de ingezetenen lang verstoken gebleven. Op de in dejaren 1656 à 1661 door Mogge vervaardigde kerk van Westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen vindt men er een aangeduid in den Oudemanspolder, dichtbij de destijds aldaar staande kerk, in de nabijheid dus van de boerderij, waar nu de erven Savot wonen. Vermoedelijk is hij in 1672 tegelijk met die kerk doorde Franschen in de asch gelegd. In 1677 bekwam zekere Christiaan de Poorter vanhet Vrije verlof om dezen molen ,,gestaen hebbende voor dezen op den Oudeman”te ,,erigeeren en wederom op te bouwen aen dees sijde van de Geule” d.i. vande Ligne (Resol. Vrije, 28 Januari, 5 Febr, en 25 Sept. 1677), maar van den wederopbouw is niets gekomen. Ook de plannen, in 1752 door Albertus de Meijeren in 1767 door Guljame de Bluedts opgevat om te Waterlandkerkje een molen op te richten, zijn niet doorgegaan doordien de Staten-Generaal hun verzoeken om octrooi (concessie) van de hand wezen (Resol. Staten-Generaal, 2 Januari 1753en 10 Aug. 1767). Eindelijk is er in 1796 een gesticht (Was, Oorsprong en lotgevallen enz. in Zeeuwsehe Volksalmanak 1846, blz. 64), aan de westzijde van den Molenweg nabij de dreef van de hofstede, tegenwoordig in gebruik bij den landbouwer François Cornelis Dieleman. Hij is in 1925 door den laatsten eigenaar J. Risseeuw wegens bouwvalligheid afgebroken (Collot d’Escury, Dcmolens van Zeeuwsch-Vlaanderen, Amst. 1927, blz. 62) en vervangen door een maalderij, welke door een motor wordt gedreven.

De burgerlijke gemeente Waterlandkerkje dagteekent van 1796 (Van der Aa,a.w. XII blz. 159). Zij bevat den Vrije-, den Ouden Passegeule- en den Van der Bekepolder in hun geheel, voorts een smalle strook van den Nieuwen Passegeulepolder, benevens de Cathalijne- en den Dierkensteenpolder. De beide laatste zijn er in 1796 bijgevoegd opdat haar grondgebied niet te klein zou worden (Van der Aa, t.a.p.). Vóór 1883 was de secretarie gevestigd in een vertrek van de herberg De Koning, waarin ook de vergaderingen van den gemeenteraad werden gehouden. Sedert dien gebruikte men, tengevolge van de bepalingen der in 1881 ingevoerde Drankwet, voor beide diensten een kamer in de onderwijzerswoning. In 1938 is deze woning geheel verbouwd en uitsluitend voorraadhuis en secretarie ingericht.

DIERKENSTEENPOLDER.

Op den 19 Mei 1712 droeg François Louis Caignet den timmer dezer hofstede, staande op land van de Sint Janskerk te Sluis, met de plantage en ruim 49 gemeten eigendom voorf 5400 over aan Joost Risseeuw en Neeltje Cappon. De vrouw overleden 29 Maart 1751, de man hertrouwd in December 1754 niet Johan na Faro. Risseeuw overleden 18 Juni 1770. Dc weduwe hertrouwd in 1771 met Abraham van Houte. Johanna Faro overleden 27 Augustus 1776, Van Houte in 1799, en in zijn plaats gekomen uit Zuid-Beveland Paulus Soldaat en Neeltje Eversdijk.

In 1816 kwamen op dit hof Abraham le Grand en Magdalena Steijaard. De man overleden 22 Nov. 1855 en gebleven zijn zoon Pieter le Grand en Jozina Risseeuw. De man overleden 12 Augustus 1874, en in 1877 gekomen Jacob Jansen en Sara den Hamer, resp. geboren te Terneuzen en Axel. De vrouw overleden 5 Februari 1891.

In 1898 zijn er komen boeren Cornelis van Dikxhoorn en Ebrina Riemens,resp. geboren te Hontenisse en Zaamslag, op wie in 1926 zijn gevolgd Adriaan Pieter de Jonge en Pieternella Jansen van Rosendaal, beiden geboren te Axel. In Augustus 1928 zijn de beide schuren afgebrand door onweder en in 1929 is er een nieuw woonhuis gebouwd. In 1931 is het echtpaar De Jonge-Jansen van Rosendaal vervangen door Daniel Dekker, geboren te Hontenisse en Jozina Maria Verplanke.

Den 20 November 1731 droegen Cornelis Deckers en Suzanna Fakon, weduwe van Jacobus de Jonge, den timmer dezer hofstede voor f 970 over aan den toenmaligen bewoner Philip de Loo, die gehuwd is geweest met Sara Gruset. Den 5 Maart 1751 droeg hun nagelaten zoon Philip de Loo den timmer met de plantage voor f 1920 over aan Jacob van Houte, die dat alles denzelfden dag voor denzelfden prijs weder overdroeg aan Abraham Porreij. Porreij overleden alhier 3 Juli 1766, zijn weduwe Sara le Grand hertrouwde 28 Juni 1767 met Pieter Cappon. De vrouw overleden 13 September 1794, de man hertrouwde 18 October 1796 met Janna Bruijnooge. Cappon overleden 1 Juni 1800, de weduwe hertrouwd 26 Februari 1801 met Isaac Sanders. Janna Bruijnooge overleden 6 September 1804,de man hertrouwd 22 Januari 1806 met Johanna Risseeuw. Dezen in 1812 verhuisd naar onder Nieuwvliet en opgevolgd door Leendert Faas en Helena de Smit, die omstreeks 1818 plaats maakten voor Abraham Zonnevijlle en Elizabeth Faas.

In 1835 zijn hier gekomen Augustinus Eligius Cammaert en Sophia Spelier,geboren te Lapscheure. De vrouw overleden 7 April 1837.

Omtrent 1873 kwamen er wonen Ludovicus van Hoorickx, in 1879 Charles Joannes de Milliano en Eulalia Amelia Rubbens, die in 1892 vertrokken. Toen is het hof gepacht door Joannes Henricus de Milliano en Rosalia Christina van Hoorickx, geboren te Moerkerke. In 1902 gebleven hun zoon Alphonsus Henricus de Milliano en Melania Maria Doens. In 1925 is de schuur afgebrand door onweder.

In 1866 hebben Anthonic Bosschaart en Magdalena van den Ameele op land van de hofstede Slapershaven van ‘s mans vader een hofstede gesticht, waarop zij hebben gewoond tot 1888, toen het hof door hen is verkocht aan Daniel van Maleen Sara Luteijn, wier zoon Jannes van Male en Magdalena Adriana de Vlieger er toen op zijn gekomen. In 1890 zijn zij vertrokken en opgevolgd door ‘s mans ouders Daniel van Male en Sara Luteijn voormeld. De man overleden 27 December 1895, en in 1896 gekomen Abraham Bruijnooge en Cathalijntje Jozina de Vlieger,die in 1918 zijn vervangen door François Lauicutianus Babijn en Elizabeth Maria Naeije, die voor dien onder Biervliet hebben gewoond.

In 1818 zijn hier gekomen Joannes Franciscus Vercraeije en Leocadia de Sutter, geboren te Lapscheure. In 1871 gebleven hun dochter Louisa Sophia Vercraeije, die gehuwd was met Carolus Joannes van de Vijver. De vrouw overleden 22 October 1873, de man naderhand hertrouwd met Barbara van Besien, geboren te Lapscheure. De man overleden 19 April 1915, de weduwe 15 Maart 1922. In 1923 gebleven haar zoon Gustaaf Joseph van de Vijver en Martha Amelia van deWaeter.

HET HOF SLAPERSHAVEN.

Den 23 Mei 1750 droeg Gerrit Abrahamszoon Sas, timmerman te Biervliet, aan den toenmaligen bewoner Pieter Taillie over een vierde part in den timmeren in ruim 122 gemeten eigendom voor f 11 per gemet. Den 3 Juli 1750 droegen de kinderen van Jacob Dhont aan voornoemden Taillie een derde part in vijf achtste parten van den timmer en in ruim 122 gemeten eigendom over voor f 1656 de massa. Den 2 November 1753 droeg Taillie, zijn de toen weduwnaar van Agatha Cauwe, aan Maria Tack, weduwe van Hendrik van Cruijningen te Zuidzande twee derde parten in den timmer en in ruim 122 gemeten eigendom, twee derde parten in een perceel zeedijk, alsmede nog twee derde parten in de vóórgelegen schorren over voor f 93 per gemet of in ‘t geheel voor f 7602. Den 4 Maart 1766 droegen de erfgenamen van Magdalena de Backer, weduwe van Adriaan Louwers, over aan Hendrik van Cruijningen, zoon van Hendrik van Cruijningen en Maria Tack voormeld, een derde part in vijf achtste parten van den timmer en arbeidershuisen een derde part in ruim 122 gemeten eigendom en annexe dijken voor f 106.50 per gemet of in totaal f 2720.80. Den 21 Februari 1782 kocht Pieternella Herny,weduwe van Johannes Risseeuw, den timmer met de plantage, een arbeidershuis en ruim 122 gemeten eigendom voor f 19 per gemet, van de erfgenamen van haar oom Hendrik van Cruijningen hiervóór vermeld.

In 1750 woonde op dit hof Pieter Taillie, wiens vrouw Agatha Cauwe, eerder weduwe van Isaac de Backer, overleed 25 Mei 1753. Omtrent 1770 zijn hier in plaats van Isaac Taillie gekomen Johannes Risseeuw Joostzoon en Pieternella Herny. De man overleden 12 Januari 1781, de weduwe hertrouwd 22 Juni 1783 met Anthonie Bosschaart en overleden 12 September 1793. De man hertrouwd in November 1794 met Suzanna du Mez. In 1820 of 1821 gebleven de zoon uit het tweede huwelijk Anthonie Bosschaart en Suzanna van de Plassche, op wie in 1866 zijn gevolgd hun zoon Izaak Bosschaart en Maatje Karels, in wier plaats in 1904 zijn gekomen Adriaan Verplanke en Levina Dees, resp. geboren te Axel en Terneuzen. De man overleden 3 April 1919, de weduwe in 1919 vervangen door Leopoldus Lohman en Augusta Maria Nobus, die in 1929 hebben plaats gemaakt voor Willem Jacob Verplanke en Johanna Herweijer.

De landerijen van deze hofstede zijn eenige jaren lang in gebruik geweest bij Abraham van Houte, die

de naaste hofstede bewoonde. Omstreeks 1801 is zij gepacht door Abraham le Grand en Maria Magdalena Aalbregtse. De vrouw overleden 19 April 1804, de man hertrouwd (in 1805 ?) met Magdalena Steijaard. Dezen omstreeks 1816 vertrokken en opgevolgd door den broeder der vrouw, Isaac Steijaard, en Sara van de Plassche. De man overleden 21 Augustus 1847, de vrouw 22 Mei 1869. Daarna is het hof publiek verkocht en er op gekomen Michiel de Muijnk. In 1872 kwamen er Jacobus Bernardus Leo Buijck en Felicita van Hoorickx. In 1909 gebleven hun zoon Augustinus Jacobus Buijck en Virginia Melania Maria Geeraert.

HET H0F DE MUNTE.

Den 26 Maart 1782 overleed alhier Petrus de Muijnk, die gehuwd was met Elizabeth de le Lijs. Na hem heeft hier geboerd zijn zoon Petrus de Muijnk Junior, die op 7 April 1802 huwde met Sara Wage.

In 1809 kwamen er wonen Thomas Ambrosius de Keijser, geboren te Middelburg in Vlaanderen, die op 27 November 1817 trouwde met Maria Jacoba Wijffels. De man overleden 9 Januari 1832, de weduwe hertrouwd 30 Januari 1833 met Bernardus Josephus Bonte, geboren te Sint Margriete. Dezen zijn in 1835 opgevolgd door Jacobus Franciscus Buijck en Colletta Francisca van Hoorickx. Buijck, overleden 25 September 1838. In 1868 gebleven de zoon Franciscus Bernardus Buijck en Rosalia Christina van Hoorickx. De man overleden 2Februari 1872, de weduwe hertrouwd 19 Februari 1873 met Joannes Henricus de Milliano. In 1894 gebleven de zoon Edmondus Jacobus Buijck en Celestina Bernardina van de Vijver. De man overleden 2 Januari 1903. In 1930 gebleven zijn zoon Achille Alphonse Buijck en Magdalena Maria Augusta Talloen.

CATHALIJNEPOLDER.

Omstreeks 1794 heeft de oudburgemeester Van Beke te Sluis een hofstede gesticht en verpacht aan Willem Bruijnooge en Levina Wage, die omstreeks 1801 vertrokken naar de hofstede van ‘s mans stiefvader De Loo en opgevolgd zijn door Doens.

In 1808 kwam hier Jan Burggraaf, in 1810 Joannes Franciscus Spelier. De man overleden 5 April 1812, de weduwe Rosa Francisca Vercraeije, geboren te Middelburg in Vlaanderen, hertrouwde 6 Februari 1813 met Franciscus van Dooren, geboren te Brugge. Van Dooren overleden 11 Maart 1837. De weduwe vertrokken in 1838.

In 1843 gekomen Petrus Joannes Dossche en Maria Theresia de Keijser. De man overleden 7 April 1850 en in hetzelfde jaar opgevolgd door Petrus Joannes de Keijser, die later trouwde met Clementina Amelia Wijffels. De man overleden 28 December 1873. In 1875 zijn van onder Biervliet hierheen verhuisd Joannes Franciscus Wijffels en Ludovica Sophia Thomaes, op wie in 1885 zijn gevolgd Leendert Bareman en Neeltje Heijnsdijk, beiden geboren te Hoek. In 1887 gekomen François Huijssen en Adriana Johanna Willemsen, resp. geboren te Terneuzen en Zaamslag, die in 1893 zijn vervangen door Henri Pierre Louis Wemaer en Maria de Jonghe, geboren te Lisseweghe. In 1920 gebleven de zoon Henri Joseph Wemaer en Bertha Leonia Maria Wijffels, op wie in 1925 volgden Cornelis de Visser en Suzanna Dina Scheele, resp. geboren te Zaamslag en Bosch­kapelle. De man overleden 6 November 1933 en in 1937 in plaats van de weduwe gekomen Omer Auguste Eugène Marie Noë en Margaretha Stephania Vermue.

Den 15 September 1769 overleed alhier Michiel Bruijnooge. De weduwe Mariade Ruijsscher hertrouwde 22 Juli 1770 met Jannes de Loo. De Loo overleden 8 Augustus 1801, de vrouw eveneens in 1801, en gekomen de zoon Willem Bruijnooge en Levina Wage. De man overleden 13 Februari 1820, de weduwe 19 December 1837 en toen gebleven hun zoon Abraham Bruijnooge en Anna Seen. De man overleden 23 April 1870 en in 1874 gebleven zijn zoon Michiel Bruijnooge en Johanna Haartsen. De vrouw overleden 2 Juli 1906 en in 1907 gekomen Leendert Manneke en Janna Alberdina Quist, resp. geboren te Sint Maartensdijk en Ellewoutsdijk. De vrouw overleden 11 Maart 1930.

Den 14 December 1753 droeg Willem graaf van Nassau, heere van Bergen, Cortgene enz. enz. den timmer dezer hofstede met ruim 110 gemeten eigendom, al hetwelk hem aangekomen was bij erfenis van zijn ouders Lodewijk Adriaan graaf van Nassau en Suzanna Cornelia Studler van Zurgh, voor f 69 per gemet of in ‘tgeheel voor f 7617.60 over aan Sara Elewouts, weduwe van Adriaan Louwers.

In 1751 woonden hier Abraham de Smit en Cathalijntje Prophete. De Smit overleden 1 Mei 1769, de weduwe 17 November 1770, en toen gebleven hun zoon Isaac de Smit en Elizabeth Roegiers, die den timmer met ruim 110 gemeten eigendom in 1788 hebben gekocht voor f 13200 van Sara Elewouts voormeld. De man overleden 18 Juli 1805, de weduwe 21 September 1806. Omstreeks 1808 is op dit hof gekomen Josephus de Hondt.

In 1848 is het gepacht door Karel Sturm te Hoofdplaat en voor hem bekasteleind tot 1854, toen hier kwam zijn zoon Leopoldus Bernardus Sturm, die na nog eenige jaren voor zijn vader kastelein te zijn geweest zelf pachter is geworden en in 1865 trouwde met Hortensia Clementia de Milliano. De vrouw overleden 19 Januari 1901 en in 1911 gebleven de zoon Augustinus Theodorus Sturm en Maria Louisa Doens.

OUDE PASSEGEULEPOLDER.

Het arbeidershofsteedje van Petrus de Die, de Drie Gaten geheeten, is allengs vergroot door bijvoeging van nabijgelegen schorregronden. De Die overleden in 1813 en opgevolgd door Petrus Bierlé.

In 1821 zijn er op gekomen Michiel Boone en Catharina Nortier. De man overleden 27 September 1834, de weduwe 2 April 1838.

In 1851 kwamen er wonen Carolus Joannes Devenijns, geboren te Watervliet, en Paulina Isabella Haesebrouck.

In 1863 zijn er gekomen Franciscus Leopoldus Temmerman, geb. te Damme, en Virginia Rogiers. De man overleden 5 September 1875, de weduwe hertrouwd 20 December 1876 met Leopoldus Vertriest.

In 1880 zijn er gekomen Constantinus Bernardus Tas en Stephania Clementiade Badts.

In 1921 gebleven hun zoon Camille Constamitinus Bernardus Tas en Maria Anna Eugenia Heijens, geboren te Stoppeldijk.

Omtrent 1787 is hier in plaats van Abraham de le Lijs gekomen Anthonie du Bois, omstreeks 1792 Pieter van Butzel, die overleed 15 Mei 1793. Zijn weduwe Cathalijntje Camby hertrouwd in 1794 met Jacob Pattist. De vrouw overleden 22 September 1802, Pattist hertrouwd met Elizabeth de Smit. Pattist overleden 8 December 1834.

In 1837 gekomen Joannes Franciscus van Leeuwe en Maria Theresia Mabesoone. De vrouw overleden 13 September 1842, de man hertrouwd omstreeks 1848 met Ida Francisca Wijffels. Deze in 1861 vertrokken en opgevolgd door Pieter Joannes Temmerman en Mathilda van Damme, geboren te Sint Jan in Eremo. De man overleden 12 Mei 1865, de weduwe hertrouwd 8 October 1866 met Petrus Bernardus van Vooren. De vrouw overleden 10 October 1877, Van Vooren hertrouwd in 1879 met Anna Catharina Buijck. In 1892 is hier een nieuw woonhuis gebouwd.In 1899 is Van Vooren opgevolgd door Carolus Petrus Maria van Damme, geboren te Sint Jan in Eremo, en Hortensia Clementia Sturm, in wier plaats in 1902 zijn gekomen Jacobus Bernardus Sturm en Leonia Maria Blondeel, die in 1936 zijn opgevolgd door Rumoldus Adrianus Decker en Anthonia Maria Johanna Doggen, resp. geboren te Rucphem en Wouw in Noord-Brabant.

Omtrent 1777 zijn hier in plaats van Willem Verleij gekomen Jannes Goossen en Jacoba Tienpont. De vrouw overleden 29 December 1781, de man hertrouwd in 1782 met Suzanna Schuitvlot. Deze vrouw overleden 28 Januari 1787. Den 1 April 1789 is de timmer met 131 gemeten eigendom voor 1 143.65 per geniet of in‘t geheel omtrent f 18816 publiek verkocht en toen is in Goossen’s plaatsgekomen Pieter Joannes van den Hemel, die achtereenvolgens is gehuwd geweest met Maria Buijck en Helena Sabina Wijffels en in 1815 vertrok naar onder IJzendijke en opgevolgd is door zijn zoon Pieter Bernardus van den Hemel en Anna Colletta de Milliano, welke in 1834 of 1835 ook naar IJzendijke verhuisden en vervangen zijn door Leonardus Franciscus Dossche, geb. te Waterland-Oudeman en Josephina Buijck. De man overleden 10 September 1874. In 1880 gekomen Joannes Bernardus Dossche en Sophia Mabesoone, op wie in 1908 zijn gevolgd François Cornelis Dieleman en Magdalena dc Feijter, resp. geboren te Hoek en Axel. In 1824 is er een nieuw woonhuis gebouwd.

Den 27 Februari 1750 droeg Genoveva Domitilla Roegiers den timmer dezer hofstede met ruim 125 genieten eigendom voor f 7800 over aan Frederik Carlierte Zuidzande, die dat den 23 April 1757 voor f 6000 weder overdroeg aan Ferdinand Boogaert te Sluis.

In 1757 woonde hier Willem van de Luijster, die gehuwd is geweest met Jorientje Cauwe. Van de Luijster overleden in 1799 en gebleven zijn dochter Elizabeth van de Luijster en Isaac Nortier, die in 1822 vertrokken naar onder Oostburg en opgevolgd zijn door hun dochter Maria Suzanna Nortier en Jannes de Smit, in wier plaats in 1834 kwamen de broeder der vrouw Johannes Nortier enCornelia Jozina de Muijnk. Op dezen is in 1841 gevolgd Petrus Joannes deMeulemeester. In 1841 gekomen Ilenricus Franciscus Dossche en Maria F rancisca Verheecke, beiden geboren te Waterland-Oudeman.

In 1872 kwamen er boeren Theophilus Casimir Alexander Vermandel, geb. te Koewacht, en Eulalia Pelagia Dossche, na wie in 1892 van Spijkenisse zijn gekomen Dirk Japhet Oosthoek en Eva Eenhoorn, resp. geboren te Geervliet en Hoogvliet in Zuid-Holland. In 1894 is de schuur afgebrand. Na liet vertrek van Oosthoek zijn van Abbebroek in Zuid-Holland hierheen verhuisd François van Prooije en Maria de Raat, resp. geboren te Abbebroek en Hekelingen, op wie in 1914 zijn gevolgd Willem de Feijter en Clara Elizabeth de Kraker, beiden geboren te Zaamslag, wier vader en schoonvader Abraham de Kraker de hofstede in 1913 had gekocht. De vrouw overleden 10 Februari 1934, de man hertrouwd 24 Februari 1937, met Cornelia Magdalena Risseeuw.

In 1913 hebben Jozias Verhage en Maria Casteleijn een door hen gestichte hofstede metterwoon betrokken en bewoond tot 1919, toen in hun plaats kwamen Desiderius van Bunderen en Maria de Witte, resp. geboren te Sint Jansteen en Stekene. De man overleden 11 October 1929 en in 1930 gekomen Jan Levinus de Putter en Geertruida Scheele, resp. geboren te Terneuzen en Zaamslag.

Uit het door hem gekochte hof van Van Prooije heeft Abraham de Kraker in 1918 een nieuwe hofstede geformeerd, waarop in 1919 kwamen wonen zijn dochter Elizabeth Adriana de Kraker en Maarten Leendert de Regt, resp. geboren te Zaamslag en Axel. In 1929 is zij publiek verkocht aan Petrus Bernardus Goethals en in 1930 zijn er gekomen diens zoon Oscar Jacobus Goethals en Alida Augusta Baecke, resp. geboren te Sas van Gent en Overslag.

,,In 1781 in plaats van J. van de Walle gekomen Augustijn Torens. In 1826 is deze hofstede per loting aan een van de zoons overgegaan.” (Aldus letterlijk aangeteekend door Abrahani Vermeulen).

In 1831 kwamen hier Eduardus Josephus Doens en Theresia Carolina Dossche, geboren te Waterland-Oudeman. De vrouw overleden 28 December 1840, de man vertrokken naar onder Biervliet in 1841 en opgevolgd door Joannes Franciscus van Vooren, geb. te Watervliet, die naderhand trouwde met Johanna Maria Christina Claeijs, geb. te Waterland-Oudeman. De man overleden 5 Mei 1873, de weduwe 24 Januari 1876. In 1874 is er een nieuw woonhuis gebouwd. Na het overlijden van de weduwe Van Vooren gebleven de gezamenlijke kinderen tot 1893, toen een hunner met name Angelus Henricus van Vooren, gehuwd met Louisa Leonora Wijffels, geboren te Waterland-Oudeman, het bedrijf voor eigen rekening heeft opgenomen. Op Van Vooren zijn in 1921 gevolgd Jacobus Marinus Dieleman en Suzanna van Tatenhove, beiden geboren te Hoek, in wier plaats in 1930 zijn gekomen Jozias Marinus Johannes Dees en Wilhelmina Johanna de Nood, resp. geboren te Terneuzen en ‘s Heer Abtskerke.

NIEUWE PASSEGEULEPOLDER

In 1863 hebben Daniel van Male en Sara Luteijn zich gevestigd op een voor hen in den Nieuwen Passegeulepolder op land van het hof Slapershaven gestichte hofstede, zij hebben daar gewoond tot 1890, in welk jaar er zijn komen boeren hun zoon Jannes van Male en Magdalena Adriana de Vlieger. Op hen zijn in 1900 gevolgd ‘s mans zuster Suzanna van

Male en Jacobus Abraham Risseeuw, die in 1928 zijn vervangen door Hermanus Dekker en Neeltje Dieleman, beiden geboren te Axel.

In 1860 heeft Abraham Bruijnooge een hofstede gesticht, welke metterwoon is betrokken door zijn zoon Willem Bruijnooge en Janneke Verplanke. Dezen in 1864 vertrokken naar onder Schoondijke en opgevolgd door ‘s mans broeder Abraham Bruijnooge en Suzanna Centina Schippers. De vrouw overleden 27 December 1897. Na het vertrek van Abraham Bruijnooge in 1904 hebben hier achtereenvolgens gewoond van 1904 tot 1908 Izaak Cappon en Anna van der Meulen,van 1908 tot 1919 Dingenis van Gorsel en Cornelia Martina van der Slikke, resp. geboren te Sint Maartensdijk en Poortvliet, van 1919 tot 1926 Cornelis de Nooden Elizabeth van der Stel, resp. geboren te Vrouwepolder en Poortvliet. In 1926 gebleven de zoon Cornelis de Nood en Tannetje Zuidweg, resp. geb. te ‘s Heer Abtskerke en Kruiningen.

Uit het voormelde door hem gekochte hof heeft Abraham de Kraker nog een nieuwe hofstede geformeerd, op welke zich in 1914 hebben gevestigd zijn dochter Catharina Debora de Kraker en Meeuwis de Regt, resp. geb. te Zaamslag en Hoek, op wie in 1930 zijn gevolgd Abraham de Nood en Janna de Putter, resp. geboren te ‘s Heer Abtskerke en Zaamslag. Dezen in 1937 verhuisd naar onder Oostburg en vervangen door Richard Jacobus Pieters en Irma Carolina Francisca Goethals, geboren te Sas van Gent.

Den 18 Februari 1858 is alhier overleden Pieter Bernardus van den Hemel. De weduwe Anna Colletta de Milliano vertrokken in 1860, en opgevolgd door Jannes van de Vijver en Jozina Maria Verplanke, die in 1903 zijn vervangen door Mels Willemsen en Adriana de Meijer, resp. geboren te Axel en Hoek. Dezen in 1919 naar onder Schoondijke vertrokken en opgevolgd door Joannes Franciscus Stokx en Margaretha Rijk, beiden geboren te Ovezande. In 1931 gebleven hun zoons Jacobus Stokx, Anthonius Stokx, beiden geboren te Borssele, en MarinusStokx, geb. te Ovezande.

VRIJEPOLDER.

HET HOF IPENDIJKE, alias DEKANONHOFSTEDE.

Op 6 Augustus 1749 droeg Mr Pieter Boddaert te Middelburg aan Mr Daniel Tulleken aldaar voor f 3000 over de helft in den timmer en in den bijbehoorenden eigendom van ruim 143 gemeten. Den 18 Maart 1768 werd de timmer met ruim 138 gemeten eigendom mitsgaders de plantage en de mestput door voornoemden heer Tulleken voor f 6300 overgedragen aan Pieter Cocquijt te Groede en Walterus de Smidt aldaar, ieder voor de helft.

In 1768 woonden hier Jean Jonville, om der religie wil herwaarts overgekomen van Rongy bij Doornik, en Pieternella van de Vere, op wie omstreeks 1779 zijn gevolgd Pieter Lombaard en Maria Mille. De vrouw overleden 22 Februari 1792, de man hertrouwd 25 Juni 1795 met Tannetje Pattist. Lombaard overleden 21 Juli 1822, de weduwe 6 Januari 1823. In 1823 gebleven hun zoon Abraham Lombaard en Johanna Jacoba van de Vijver. De man overleden 14 Januari 1828, de weduwe hertrouwd 2 October 1829 met Jacob Tromp. In 1832 zijn dezen naar onder Groede vertrokken en in 1834 gekomen Jannes du Mez en Catharina Taillie, die in 1848 naar Kloetinge verhuisden en opgevolgd werden door Seraphinus Joannes Dossche en Angelina Goethals, geboren te Watervliet, welke in 1875 plaats maakten voor Petrus Joannes Rubbens en Melania Sophia Lippens. Na het overlijden van de eigenaresse Laurentia Isabella Jacoba van Geelkerken te Groede is de hofstede, destijds groot ruim 81 hectaren, in 1884 publiek verkocht aan den heer Stevens te Sas van Gent. In 1889 zijn er in plaats van Rubbens gekomen Marinus Verbrugge en Catharimma Klaassen, resp. geboren te Hoek en Zaamslag. In 1909 gebleven hun zoon Marimus Levinus Verbrugge en Aaltje Butijn, resp. geb. te Hoek en Sint Philipsland, die het hof in 1919 hebben gekocht. In 1895 is er een nieuw woonhuis gebouwd.

Omstreeks 1810 zijn op deze hofstede gekomen Josephus Bernardus Wijffelsen Clementina Temmerman. De vrouw overleden in 1846, de man hertrouwd 31 December 1849 met Rosalia Francisca van den Bossche.

In 1861 gekomen Josephus Franciscus Wijffels en Sophia de Coster. De man overleden in 1893, de weduwe in 1895. Daarna is het hof beboerd door hunne kinderen tot 1902, toen een hunner, met name Hippolytus Josephus Wijffels, gehuwd met Mathilda Maria Sophia Modde, geboren te Watervliet, het bedrijf voor eigen rekening opnam. In 1902 is er een nieuwe schuur en in 1921 een nieuw woonhuis gebouwd, dit laatste onder de gemeente Waterlandkerkje, zoodat van toen af de bewoners niet meer gelijk te voren onder de gemeente IJzendijke hooren. De vrouw overleden 17 September 1933.

TENSLOTTE VOLGEN HIER NOG EENIGE

KLEINERE BOERDERIJEN ONDER DE

GEMEENTE WATERLANDKERKJE.

Van omstreeks 1927 tot 1931 hebben op deze door hen gestichte hofstede gewoond Jacob de Vuijst en Levina de Meij. Zij zijn opgevolgd door Louis Dieleman, geboren te Hoek, en Maria Johanna van den Broeke.

In 1912 zijn François van de Plassche en Elizabeth Nortier hier opgevolgd door Pieter Jansen, geboren te Zaamslag, en Catharina Hollebrand.

Van 1912 tot 1913 hebben hier gewoond Johannes Beerens en Jacoba Janna Verspnille, opgevolgd door Gerrit Kwekkeboorn en Leijntje de Nood, resp. geb.te Vrouwepolder en ‘s Heer Abtskerke.

Omstreeks 1936 is dit gedoe gesticht door Joannes Bernardus Aers en MariaLouisa Heetesonne.

Sedert omstreeks 1851 of 1852 heeft hier gewoond Joannes Bernardus de Sutter, geboren te Sint Margriete, die overleed 29 Maart 1901. In 1904 in plaats van zijn weduwe Lucia van Vlierberghe gekomen Jacob van Male en Maria Cornelis, vertrokken in 1918 en opgevolgd door Abraham Tellier en Maria Hendrika Hendrikse, geboren te Westkappele (Walcheren). De vrouw overleden 11 Maart 1925, en in 1927 in Tellier’s plaats gekomen Marinus de Bruijne en Jacomina Verpoorte, resp. geboren te Terneuzen en Hoek.

In 1921 is van Nieuwvliet hierheen verhuisd Adriaan Dieleman, geboren te Hoek, die gehuwd is met Suzanna Scheele, geboren te Zaamslag. Dezen in 1938 vertrokken en opgevolgd door Jan Meijers, geboren te Serooskerke (Walcheren) en Suzanna de Regt, geboren te Zaamslag.

Op dit bij Bakkersdam staand gedoe hebben van 1907 tot 1923 gewoond Leonardus Schoutheet en Maria Louisa Wispelaer, beiden geboren te Eecloo. In1924 opgevolgd door Petrus Joannes Saeij en Mathilda Sophia Lohman.

Den 10 Januari 1910 overleed hier Joannes Franciscus Pollé. Zijn weduwe Maria Theresia Soupplé vertrokken in 1923, en toen gekomen Petrus Joannes Fijnaut en Louisa Hamelinck.

Den 3 December 1909 overleed alhier Abraham van den Broeke. Zijn weduwe Cathalina Jacomina Karels in hetzelfde jaar opgevolgd door hare dochter Sara Tannetje van den Broeke en Abraham Adriaan Herman.

Het in 1925 op de voormalige schans Sint Philip door hen gestichte boerderijtje wordt sedert bewoond door Cornelis Isaac Haartsen en Cathalijntje Maria Versprille.

Van 1906 af hebben hier gewoond Bernardus van den Bossche en Romance Maria Delnad. De vrouw overleden 20 November 1916, en in 1919 van Driewegen in Zuid-Beveland hierheen verhuisd Gillis de Jager en Cathalina Steketee, beiden van aldaar geboortig.

Van 1906 af hebben hier gewoond Philippus Jacobus Fijnaut en Leonia Maria Roegiers. De man overleden 20 Maart 1906, de weduwe in 1923 opgevolgd door Arie Johannes Lensen en Pieternella Maria van den Broeke.

Van 1889 af hebben hier gewoond Petrus Roegiers, geboren te Boudhaute, en Maria Catharina Acke. De man overleden 13 Februari 1908, de weduwe in 1927 opgevolgd door haar zoon Joannes Franciscus Edumondus Roegiers en Christina Maria Maenhout.

In 1900 zijn hier in plaats van Van den Hemel gekomen Eduardus Petrus Kint en Louisa Christina Otjes, beiden geboren te Boschkapelle, op wie in 1924 zijn gevolgd Constantinus Bernardus Tas en Irma Maria de Munck, geboren te Zuiddorpe.

Op dit door hen gestichte boerderijtje wonen sinds 1895 Cornelis Jacob Bronen Sara du Burck.

Van 1891 tot 1925 hebben hier gewoond Pieter du Burck en Jozina Zonnevijlle, die opgevolgd zijn door Dirk de Bruijne en Cathalina de Koeijer, beiden geboren te Terneuzen.

Op dit in 1925 door hen gestichte hofsteedje wonen sedert dien Augustinus Bernardus Neijt, geboren te Philippine, en Maria Verheije.

In de Inlage kwamen in 1904 wonen Jacobus Johannes Pieters en JannekeJanna du Mez. De man overleden 25 Juni 1906. In 1922 gebleven de dochter Tannetje Janna Pieters en Jan Koster, geboren te Zaamslag.

Den 6 Juni 1897 overleed alhier Colletta Wattee, gehuwd met Fredericus Carolus Fijnaut. Van 1899 af woonden er hun dochter Mathilda Louisa Fijnaut en Paulus Josephus van Landschoot. De vrouw vertrokken in 1922 en opgevolgd door Charles Ludovicus Verheije en Nathalia van Deursen.

In de kom van het dorp bevindt zich een boeiderijtje, dat sedert 1909 bewoond wordt door Jannes Vermeulen en Maria Johanna van de Vijver.